delen

Evelien Tonkens

evelien_T

Beleidstaal is niet onschuldig

Mijn moeder onderhield intensief en langdurige contact met de halve wereld. Ze had een enorm sociaal netwerk. Ze zag dan ook altijd als een berg op tegen kersttijd want dan moest ze een karrevracht kaarten schrijven, met naast de voorgedrukte nieuwjaarswens voor iedereen een persoonlijk briefje. Toen ze ouder werd bleef een substantieel deel van die bonte stoet mensen haar bezoeken. Toch werd ze toen ze ging dementeren, in rap tempo eenzamer. We zochten naar mensen in haar rijke netwerk, maar wie heeft daar tijd en puf voor?

De laatste jaren van haar leven was mijn moeder dan ook ronduit eenzaam. Mensen vonden het moeilijk bij haar op bezoek te blijven komen. Wie daar minder mee zat was zelf te hulpbehoevend of krakkemikkig geworden.

Als iemand als mijn moeder, met een zo bonte stoet naasten, er al niet in slaagt haar sociale netwerk aan te (laten) boren als dat nodig is, hoe moet het dan met al die mensen die hun hele leven al eenzaam waren? Sociale wijkteams hebben tegenwoordig de taak om het sociale netwerk van hulpbehoevenden aan te boren. Ze vinden het allemaal een mooie gedachte. Ze voeren hem ook uit. Alleen leidt dat zelden tot een daadwerkelijk groter beroep op dat netwerk, zo constateren wij in ons (lopend) onderzoek over de drie decentralisaties, getiteld 'De belofte van nabijheid'. Er wordt wel naar het netwerk gevraagd, maar meestal leidt dat tot de constatering dat er niet meer van het netwerk gevraagd kan worden. Kortom: aanboren van het netwerk is een mooie gedachte maar in de praktijk komt er niet veel van terecht. Dit constateren we op basis van 308 observaties van (keukentafel)gesprekken thuis en 137 interviews met leden van wijkteams in zes Nederlandse steden.

Hoe komt dat? Wat maakt dan dat er niet meer van het netwerk gevraagd kan worden? Ten eerste is het netwerk soms, net als mijn broer en zus en ik, wel heel liefhebbend maar woont het  te ver weg. Soms is er nog een broer of zus die wat dichterbij woont maar niet mobiel is. 

Maar vaak ook hebben mensen bij wie de wijkteams op bezoek komen, geen of een zwak netwerk. Ze zijn nog veel eenzamer dan mijn moeder en hebben niemand op wie ze een beroep op zorg kunnen doen.

Ook komt het regelmatig voor dat het netwerk heeft zelf teveel problemen heeft. De partner en de buren zijn  ziek en zelf hulpbehoevend, kinderen hebben ook gezondheidsklachten of problemen met de opvoeding van hun eigen kinderen. ‘In dit complex zijn we allemaal met ouwe lui, die allemaal hun gebreken hebben. We zijn hier in het portiek heel goed met elkaar, maar we zijn te oud en gebrekkig om elkaar te helpen’, zegt een van de cliënten tijdens een keukentafelgesprek.

Het netwerk is ook vaak een bron van problemen in plaats van een hulpbron. Familieleden hebben ruzie, of hebben bij de cliënt grote schulden gemaakt maar nooit afgelost. Of er was of is huiselijk geweld.

De belangrijkste reden waarom er geen groter beroep op het netwerk wordt gedaan is echter (over)belasting van het netwerk.  Een man die al heel lang voor zijn vrouw zorgt vertelde tijdens het keukentafelgesprek: ‘Ik ga er wel aan onderdoor hoor’. ‘Het is eigenlijk niet te doen. (…) Ik heb zelf COPD, astma, reuma’. De man begon te huilen. ‘Nu lukt het nog’, snikte hij.

Vaak wordt geopperd dat een zwak netwerk versterkt kan worden met vrijwilligers. Maar net als bij mijn moeder blijkt dat moeilijker dan het lijkt. Cliënten accepteren de hulp of zorg van een onbekende niet snel. Ze zijn bang dat je op een vrijwilliger niet kunt bouwen en vooral ouderen vinden onbetaalde vreemden beangstigend. Bovendien kost matching veel tijd en vaak klikt het dan uiteindelijk toch niet en haakt de vrijwilliger weer af.

Wat zegt dit nu over het beleid? Naar aanleiding van Kamervragen over onze bevindingen stelt Staatssecretaris van Rijn dat het beleid prima werkt. Mensen die zorg nodig hebben, krijgen het klaarblijkelijk ook. Zo niet van hun netwerk, dan wel van instellingen.

Maar ze krijgen het lang niet altijd. Het falende beroep op het netwerk vertaalt zich niet één op één in een professioneel arrangement. Daar is immers op bezuinigd. Veel mensen die vroeger dagopvang, dagbesteding of persoonlijke begeleiding kregen, mogen nu naar een koffieochtend in de buurt. Er is geen programma en je kent er niemand. Dat is geen alternatief.  Ook andere voorzieningen zoals huishoudelijke hulp krijgen mensen minder, ook wanneer of hun netwerk het niet kan overnemen.

Het grotere beroep op het eigen netwerk leidt dus niet tot een daadwerkelijk grotere inzet ervan. Het is wonderlijk om dan te spreken van geslaagd beleid. Maar belangrijker nog: beleidstaal is niet onschuldig. Ook als het grotere beroep op het sociale netwerk niet leidt tot een grotere inzet doet het wel iets anders. Het vertelt mensen dat ze eigenlijk wel een beroep op dat netwerk zouden moeten doen. Het versterkt gevoelens van schaamte over afhankelijkheid waar veel mensen in deze zelfredzaamheid bejubelende samenleving toch al mee worstelen. Ook versterkt het schaamte over eenzaamheid en problematische relaties. Illustratief is de Marokkaans Nederlandse oudere man die eindelijk de moed op had gevat om met een berg onbegrijpelijke papieren naar het sociale wijkteam te komen en daar om hulp te vragen. Hebt u kinderen, vroeg het wijkteamlid. Ja, antwoordde de man trots: wel tien! Kunnen die u dan niet helpen? Na dit kwetsende antwoord maakte de man rechtsomkeert om nooit meer terug te keren.

Wat zou er dan moeten gebeuren? Praktisch gezien is het noodzakelijk om meer investeren te professionalisering van plekken voor dagopvang en dagbesteding, zodat mensen kunnen rekenen op een zinvolle en gestructureerde besteding van hun tijd.  Meer fundamenteel mag afhankelijkheid, van overheid en/of naasten geen bron van schaamte zijn maar een bron van trots. Trots om te leven in een zorgzame samenleving waarin mensen afhankelijk van elkaar en de overheid mogen zijn, en waarin die afhankelijkheid als even waardevol geldt als zelfredzaamheid.

Laten we dus onze verwachtingen van het sociale netwerk temperen en de professionele langdurige zorg koesteren. Mensen kloppen meestal pas aan bij de hulpverlening als ze het echt niet meer trekken en hun netwerk al lang is uitgeput. Veel van hun netwerk verwachten is dan kwetsend en vernederend.

 

Evelien Tonkens