nieuws

11 december 2018VVT Nieuws, Werkgeverschap

Toelichting wijziging artikel 4.1 Cao per 1 januari 2019

Vanaf 1 januari 2019 wijzigt artikel 4.1 lid 2 van de Cao. De infolijn Arbeidszaken ontvangt naar aanleiding van deze wijziging veel vragen. De infolijn heeft daarom voor u een toelichting opgesteld op de wijzigingen in artikel 4.1 lid 2 van de Cao.  

Wijzigingen op een rij

  • Bij een deeltijddienstverband wordt de gemiddelde wekelijks te werken uren gemeten over een vooraf vastgestelde periode van maximaal 6 maanden;
  • In overleg met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging kan worden afgesproken hoe deze meetperiode van maximaal 6 maanden wordt vormgegeven;
  • De meetperiode hoeft niet op kalenderjaarbasis plaats te vinden, maar kan ook aansluiten bij de feitelijke roosterperiodes over het kalenderjaar heen;
  • Na de meetperiode wordt een eventueel negatief urensaldo op nul gezet en een positief urensaldo wordt uitbetaald, tenzij op verzoek van de werknemer en in overleg met de werkgever andere afspraken zijn gemaakt over de verrekening van de min- of plusuren. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd.

Toelichting

De werkgever stelt de meetperiode van maximaal 6 maanden concreet vooraf vast. In de regel zal dit een keuze zijn die voor alle werknemers geldt. Echter het vaststellen van de periode van 6 maanden kan ook per (groep van) werknemer (s)/functies en zelfs per werknemer verschillen. Een dergelijke afspraak, moet wel schriftelijk worden vastgelegd tussen werkgever en werknemer (voorbeeld individuele afspraak: de werknemer treedt in dienst per 1 maart en werkgever en werknemer stellen vast dat de periode van 6 maanden loopt van 1 maart tot 1 september).

De referteperiode van maximaal 6 maanden hoeft niet gekoppeld te zijn aan een kalender halfjaar. Dit biedt de mogelijkheid om fluctuaties en piekperioden in het werkaanbod op te vangen. Met andere woorden, daarmee kan gekozen worden voor een meetperiode die zowel bekende piekperioden omvat, zoals de zomerperiode als perioden daarvoor en daarna, waarin extra inzet op piekmomenten weer kan worden gecompenseerd. 

Na een periode van 6 maanden worden eventuele minuren kwijtgescholden en plusuren uitbetaald, tenzij op verzoek van de werknemer en in overleg met de werkgever daartoe andere afspraken worden gemaakt. Met de werknemer zijn dus andere afspraken mogelijk, bijvoorbeeld om daarmee niet alleen de werknemer maar ook de werkgever meer ruimte te geven om tijdelijke extra inzet over een langere of latere periode dan 6 maanden te kunnen compenseren. Zo kan extra inzet in het voorjaar, ook rond de herfstvakantie of Kerstdagen gecompenseerd worden in vrije tijd als de werknemer daartoe verzoekt. De individuele afwijkende afspraak is te plaatsen in het kader van de ‘kanteling werktijden’ als bedoeld in artikel 5.1A Cao, in die zin dat met de individuele werknemer kan worden afgesproken dat als door het indelen/wijzigen van de werktijden door de werknemer er min-/plusuren ontstaan, hij deze uren binnen bijvoorbeeld de periode van 6 maanden dient te corrigeren dan wel dat hij deze uren in de volgende periode van 6 maanden corrigeert. 

De werkgever kan met de OR afspreken dat de maximale periode van 6 maanden op een andere wijze wordt ingevuld, bijvoorbeeld periodes van “3 + 6 + 3” maanden of periodes van “ 4 + 4 +4” maanden. Als met de ondernemingsraad bijvoorbeeld is afgesproken periodes van “4 + 4 + 4” maanden waarin de gemiddelde wekelijks te werken aantal uren wordt gemeten dan betekent dit in de praktijk dat eventuele plus-/minuren na een periode van 4 maanden worden kwijtgescholden of uitbetaald.

laat hier een reactie achter

Naam
E-mail
Reactie
Cao-infolijn-2015-small

Infolijn voor leden

Henk, Marina en Viviana
Wij helpen u graag verder

Laatste nieuws