JGD-Kwaliteit en opleiding

Toestemming beide ouders voor behandeling kind niet altijd nodig

Een arts heeft voor de behandeling van een minderjarige niet altijd de expliciete toestemming van beide ouders nodig. Volgens twee uitspraken van het Centraal Tuchtcollege in 2011 mag een arts ervan uitgaan dat de ouder die het kind begeleidt tevens de andere ouder vertegenwoordigt. En als ouders een verschillende mening hebben, mag een arts soms toch behandelen.

Toestemming beide ouders
Een arts heeft voor de behandeling van een minderjarige tot 16 jaar in beginsel toestemming nodig van beide gezagdragende ouders. Maar als een kind bij gelegenheid van een consult wordt begeleid door één van de ouders en er geen sprake is van een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling, mag de arts er van uitgaan dat de toestemming van de andere ouder aanwezig is. Dit is alleen anders indien er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Het Centraal Tuchtcollege breekt hiermee met eerdere tuchtrechtspraak en reikt de praktijk een nuttig handvat aan. Het belang van het kind moet voor artsen altijd voorop staan.

Zorg beter werkbaar
Deze uitspraken van het Centraal College maken de zorg beter werkbaar voor artsen en doen recht aan de belangen van het kind. Voor de geboden zorg door de JGZ geldt dat er geen sprake is van een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling.

Uitspraken
In een uitspraak, over de vaccinatie van een kind, maakte een vader bezwaar tegen een vaccinatie. De moeder en het kind, inmiddels 13 jaar, wensten de vaccinatie wel. Volgens het Centraal Tuchtcollege was de vaccinatie bedoeld om ernstig nadeel te voorkomen bij het kind, maakte de vaccinatie onderdeel uit van de professionele standaard en was uit de overgelegde stukken duidelijk dat het kind zich bewust was van de bezwaren van zijn vader maar niettemin de vaccinatie wenste.

Een andere uitspraak deed het Centraal Tuchtcollege op 24 mei 2011 in een zaak die een gescheiden vader tegen een huisarts had aangespannen. Het College nuanceert hiermee de wet, die uitgaat van toestemming van beide ouders bij de behandeling van kinderen tot 16 jaar.
De gescheiden vader leefde in onmin met de moeder van zijn kind en had het kind zonder toestemming van de moeder bij een andere huisarts ingeschreven. Ook had hij de aangeklaagde arts gezegd het kind niet langer te mogen behandelen. De moeder was toch met het kind naar de huisarts gegaan. Deze arts had het kind geholpen, wat leidde tot een tuchtklacht.
Volgens de rechter moeten beide gezagdragende ouders samen komen tot de keus van een huisarts voor het kind in wie beiden vertrouwen hebben. Als dat niet lukt, kunnen (en soms moeten) zij zich met hun conflict wenden tot de (kinder)rechter. Zo’n conflict mag echter niet tot gevolg hebben dat een kind geen noodzakelijke medische hulp ontvangt.
Het Centraal Tuchtcollege vindt dat de vader in dit geval niet het belang van het kind voorop stelde. De huisarts mocht, als een goed hulpverlener, de belangen van het kind laten voorgaan. Hierbij is van belang, aldus het College, dat het telkens niet ging om een situatie waarin toestemming van de vader onontbeerlijk was – zoals het geval zou zijn bij een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling.

1-DSC_0927-001